Kenniswinter

6 februari 2012, Marijn Hollestelle

Woensdag 1 februari, een koude maar zonnige dag. Iedereen lijkt na drie dagen vorst meteen Elfstedenkoorts te hebben. In mijn warmgestookte kamer op de TU/e zit Harry Lintsen tegenover mij. “Vertel eens”.

En ik vertel. Van mijn pogingen om de geschiedenis van één van Neerlands belangrijkste naoorlogse wetenschaps- en industriegebieden in een coherent verhaal te vatten. En dat is geen sinecure. Een ultieme poging om wijs te worden uit de enorme hoeveelheid soms tegenstrijdige informatie bracht mij bij Jan Bussink. Bussink is inmiddels al in de tachtig, maar spreekt en beweegt nog alsof hij dertig is. Hij vertelt mij graag van zijn jarenlange inspanning om bij AKZO en General Electric een nieuwe plastic te maken. Polyfenyleenoxide, of PPO, was een veelbelovend product dat voor van alles en nog wat kon worden gebruikt. Maar de route van laboratorium, naar proeffabriek en productiefabriek bleek problematisch. De kunststoftechnologie stond in haar kinderschoenen.

Alles moest from scratch worden opgebouwd, en worden uitgeprobeerd. En dan blijkt dat weten hoe iets werkt anders is dan waarom iets werkt. Men wist dat de gewenste chemische reactie tot stand kwam door dimethylfenol te laten reageren met zuurstof. Daarom werd van onder uit zuurstof in het reactievat geborreld en vermengd met een dimethylfenoloplossing. Echter, men had geen idee van de snelheid van de reactie; in no time had alles in het vat al gereageerd, sneller dan dat men de zuurstofkraan kon uitzetten. Het overschot aan pure zuurstof borrelde naar de bovenkant van het reactievat en accumuleerde daar, met als explosief resultaat dat de deksel van de reactor op het dak belandde. Dit was maar één van de vele problemen die PPO de onderzoekers gaf; Bussink noemde het materiaal dan ook schertsend ‘Permanent Pijn Overal’.

Het was een welkome meevaller toen men in 1966 ontdekte dat PPO een industrieel verwerkbare plastic kon opleveren wanneer het werd vermengd met een paar procent polystyreen. Dat was verrassend, omdat plastics in de regel niet mengen. Bussinks voormalige AKZO collega Heikens – toen hoogleraar kunststoftechnologie aan de TU/e – pakte dit idee in 1966 op. Hij begon de mechanische eigenschappen van dit soort mengsels te bestuderen. Vervolgens begon ook Challa, een andere AKZO collega en destijds hoogleraar te Groningen, in de jaren zeventig en tachtig met onderzoek naar mengsels en katalysatoren voor PPO. Allemaal ‘zuiver wetenschappelijk onderzoek’, zo verzekerden Heikens en Challa mij. Hoe je het ook noemt, de industrie heeft hier de wetenschap geïnspireerd en beïnvloed. Maar wat was nu precies de toegevoegde waarde van het universitaire onderzoek?

Heikens was kind aan huis bij Bussinks lab bij AKZO/General Electric, hij bracht zijn studenten mee, praatte mee over wat wel en wat niet werkte, en had altijd wel iets zinnigs te zeggen. Bussink bezocht op zijn beurt ook de academische laboratoria, mensen van zijn lab werden door Groningen geraadpleegd vanwege hun expertise en Bussink fungeerde vaak als copromotor. De beste studenten van Heikens en Challa werden na hun studie meteen door Bussink ingelijfd. Het persoonlijke contact tussen de wetenschappers zorgde voor een wederzijdse beïnvloeding, het leverde een stuk kennis dat niet werd vastgelegd in publicaties of octrooien; het was ‘persoonlijke kennis’ die werd opgeslagen in de hoofden van de betrokken wetenschappers, en waarvan het moeilijk is om aan te tonen wat die heeft opgeleverd. Eén ding is duidelijk: Bussink zat als een spin in het web en heeft al die kennis van begin tot eind, vijftig jaar lang, opgepikt. Met als resultaat dat hij nu nóg door bedrijven wordt gevraagd om advies.

“Zo zie je maar”, zegt Harry, ”kennisoverdracht is er wel degelijk, maar vaak veel minder zichtbaar dan iedereen denkt.”

Donderdag 2 februari. Het blijft vriezen. Ik pieker nog over de vorige dag: Is kennisoverdracht wel in getallen te vatten? Voordat ik Christiaan achterop de fiets naar school breng, trek ik – de jas al aan – de Volkskrant uit de bus en gooi hem op tafel. ‘Kabinet kort 10 procent op wetenschap’ zie ik nog net. Het antwoord op mijn vraag is blijkbaar al door iemand gegeven. Ik zet mijn kraag op en ga de kou tegemoet. 

Terug..

Reacties

Ernst (03/05/12)

Mooi verhaal, Marijn! Het getal dat bij dit verhaal hoort is 6 (of meer) (verbindingslijnen); maar dan zijn er nog een paar 100 interviews nodig voor een completer plaatje.... Dus misschien toch gewoon klassiek kwalitatief historisch onderzoek blijven doen?

Reageren

Naam:
Email:
Reactie:

* Alle velden zijn verplicht

Herhaal de letters en cijfers (om automatische berichten te voorkomen)

This form is generated by FormHandler