Willem Wolff

Willem Wolff
 

“Men moet het verleden kennen om zicht te hebben op de toekomst” 

Deze uitspraak verklaart de belangstelling van Willem Wolff (1921-2009) voor techniekgeschiedenis. Als zoon van een ingenieur zat techniek in zijn genen en van jongs af aan werd het een rode draad in zijn leven. Van thuis timmeren en knutselen via jarenlang vakantiewerk bij een timmerman die hem de fijne kneepjes leerde van bouw en constructies naar de studie werktuigbouw in Delft. Vanwege zijn Joodse achtergrond vluchtte hij in de tweede wereldoorlog naar Zwitserland, maar pakte na de oorlog zijn studie in Delft weer op.

Zijn loopbaan begon eind jaren veertig bij de machinefabriek Hembrug. Daarna was hij in dienst bij Fokker, waar hij in 9 jaar tijd in de productieorganisatie opklom van procuratiehouder tot onderdirecteur. In 1963 werd hij bij de AKU directeur van het bedrijf Kleefse Waard  en, na een aantal andere functies, was hij van 1975 tot zijn pensionering in 1984 directeur van Akzo Nederland. Naast zijn werk was hij zeer actief als bestuurslid, o.a. bij KIVI, VNO/NCW, werkgeversvereniging AWV, Stichting Nyenrode, NIVE, Academie voor Beeldende Kunsten Arnhem en de Koning Willem I stichting.

Na zijn pensionering begon Wolff aan een tweede carrière. Eerst als voorzitter van de Raad Hoofdgroep Maatschappij van het Koninklijk Instituut Van Ingenieurs en vervolgens van 1984 tot 1989 als president van deze landelijke ingenieursvereniging. Hier kwam hij in 1983 in aanraking met Harry Lintsen, toen wetenschappelijk medewerker aan de Technische Universiteit Eindhoven. Samen met Lintsen startte Wolff een onderzoeksproject over de rol van ingenieurs in technisch-maatschappelijke ontwikkelingen in Nederland van het begin van de negentiende eeuw tot heden. In 1988 werd het project ‘Techniek, ingenieurs en industrialisatie’ ondergebracht in een stichting, de Stichting Historie der Techniek (SHT). 

Wolff en Lintsen leidden deze stichting. Wolff nam daarbij de zakelijke kant (zoals het werven van fondsen bij overheid, bedrijfsleven en kennisinstellingen) voor zijn rekening, terwijl Lintsen zich toelegde op de inhoud en het enthousiasmeren van de technische én de historische academische wereld. Met gebundelde krachten hebben ze de nodige publieke belangstelling en fondsen weten te mobiliseren. Het onderzoeksproject groeide uit tot twee omvangrijke onderzoeksprogramma’s die hun neerslag hebben gevonden in de in 1994 afgeronde zesdelige boekenserie ‘Geschiedenis van de techniek in Nederland. De wording van een moderne samenleving 1800-1890’en de zevendelige reeks ‘Techniek in Nederland in de 20ste eeuw’. Tot 1994 zou Wolff voorzitter van de SHT blijven. Ook na zijn vertrek bleef hij een warme belangstelling houden voor SHT en haar onderzoek. Harry Lintsen schetst Wolff als ‘zeer beminnelijk en enthousiast. Hij had een brede maatschappelijke belangstelling, was organisatorisch sterk, zeer punctueel, en hij had altijd pretoogjes’.

Terug naar Willem Wolff prijs